Achtergrond: de Oostendse Vissersopstand

Het door Oostendse geschiedschrijvers vooropgesteld relaas van de vissersopstand in Oostende is een verhaal van armoede en oneerlijke behandeling, waarbij Oostendse vissers zich verzetten tegen, wat zij beschouwden als onterechte, concurrentie door Britse vissers.

Er heerste in de periode tussen 1873 en 1896 immers een zware economische recessie waarbij er geen infrastructuurwerken meer uitgevoerd werden aan de haven van Oostende. Bovendien werd de interventiesteun aan de reders afgeschaft in 1865. Dit alles leidde tot een erbarmelijke sociale situatie van de toenmalige vissersgemeenschap, met name een aanslepende en uitzichtloze uitbuiting, armoede en ellende.

De Britse vissers konden sinds 1884 aan de slag gaan met stoomtreilers en konden hierdoor veel efficiënter vissen. Onder meer de Oostendse firma J. et L. Dossaer & C° beschikte over meerdere, in Engeland aangekochte, stoomschepen die met een netto tonnenmaat van 50 à 60 ton groter waren dan elk van de 192 grote zeilschepen (40 ton) die vanuit Oostende opereerden. De Britse vissers brachten ook in Oostende hun goedkopere vis naar de vismijn en overspoelden de lokale markt. Dit was een voortdurende bron van ergernis die vele incidenten, conflicten en processen uitlokte tussen Engelse drijfnetvissers en Oostendse boomkorvissers. Bovendien beletten de Britse vissers met fikse boeten dat Vlaamse vissers zich waagden in hun visgronden. De Britse vissers steunden hiervoor op de Conventie van Den Haag van 6 mei 1882, die gezien werd als een bevoordeling van de drijfnetvisserij ten nadele van de boomkorvisserij. Er mochten geen netten worden uitgeworpen of vastgemaakt in de nabijheid van drijfnetten. De boomkorvissers werden steevast aansprakelijk gesteld voor elke, al dan niet vermeende, beschadiging aan de drijfnetten. Dit kwam erop neer dat de Oostendse vissers tussen oktober en januari uitgesloten werden van belangrijke visgronden, ten voordele van Britse en Nederlandse vissers.

Hierdoor heerste er een zware malaise in de Oostendse visserijkringen. Dit kwam tot uitbarsting op 23 augustus 1887 toen opnieuw een Britse vissersboot 600 bennen vis kwam lossen aan de vismijn. Het kwam tot een handgemeen met Oostendse vissers, bennen werden overboord gegooid en de rest van de lading werd vertrappeld. De weinige lokale ordehandhavers stonden machteloos tegen deze spontane volkswoede. De groothandelaar Dossaer, die deze Britse lading had besteld, moest deze daad bekopen. De ruiten van zijn huis moesten eraan geloven en de kantoormeubelen werden aan diggelen geslagen. In het gevecht met de politie werd er door de politie geschoten en vielen er vijf doden en meerdere zwaargewonden. Men zegt dat ook Dossaer zou geschoten hebben. Hij beschikte alvast over een pistool.

Hoe kan het ook geweest zijn.

Voorgaande is natuurlijk het ‘officiële’ relaas dat weliswaar ook echt gebeurde, maar Kallemoeie ging dieper graven in niet bestaande archieven vol alternatieve waarheden en stelde vast dat er ook andere zaken meegespeeld kunnen hebben in de diepe malaise bij sommige vissers.

De vissers stelden immers tot hun absurde verbijstering vast dat hun netten na een zware storm overspoeld werden met rare wezens waaronder tweelinkjes (1 kop en 2 staarten), gigantische kongeralen (Koengel in het Oostends) en vooral ook enorm veel zeekikkers.

Onze antiheld Achiel Primeurs, een stoere boomkorfvisser, heeft een paar van die zeekikkers gevangen. Als wanhopige eeuwige vrijgezel heeft hij, zoals hij in een sprookje gelezen heeft, een kus gegeven aan de mooiste zeekikker in de hoop dat deze in een prinses zou veranderen (en hopelijk niet in een prins).
En geloof het of geloof het niet, de zeekikker veranderde niet in een prinses, maar in een … zeemeermin, zo mooi dat Achiel er op slag verliefd op werd en onmiddellijk aan trouwen dacht.

“Een zeemeermin, dat bestaat toch niet” hoor ik jullie zeggen? Jawel, half vrouw en half vis. De droom van iedere visser, zoals een centaur de droom van iedere wulpse amazone is.
In café ‘Nieuw Troje’, bij de Oostendse nachtegaal Bubbelinne, hangt trouwens het bewijs van het bestaan van zeemeerminnen aan de muur.

Achiel wordt natuurlijk de spot van de kroeg en daarom gaat hij haar halen om met haar te pronken in café ‘Nieuw Troje’.Dit blijkt evenwel geen goed idee te zijn. Vishandelaar Dossaer heeft immers zaakjes geroken om een lijn blikjes “Zeemeermin in eigen nat” te starten en ontvoert hiervoor de zeemeermin die ondertussen liefkozend Hillène Sirène genoemd wordt door Achiel.

Achiel is in alle staten en roept zijn vrienden op om samen met hem naar de loods van Dossaer te trekken om hun beklag te doen en de zeemeermin te redden vooraleer ze in blikjes gestoken wordt.

Volgens de kwaliteitskrant van 23 augustus 1887 draaide de ganse opstand eigenlijk om Achiel zelf en zijn vissersvrienden, onder meer Petrus Isidorus Hernandez (een Spaanse familienaam omdat één van zijn voorouders de inburgeringscursus van het Spaans bezettingsleger tijdens het Beleg van Oostende iets te letterlijk opgevat heeft – ook genaamd Pette Petrol), Orlando Vantroyen (beter gekend als De Schèèven), Didier Verzuip (heeft zijn naam niet gestolen want ligt meer comateus op de cafétafel dan dat hij aan het vissen is – bijgenaamd Tsjeeten of ook nog Neptunus) en zijn hartsvriendin ‘with benefits’ – nooit alleen want steeds zwanger – Kristien Hari (tante van Mata Hari – ook genaamd Stiene P..machien).

Wat volgt is een intrige, spannender dan de spandex van menig hardrocker in de jaren 1980, waarbij het beleg van Troje, het houten paard, Paris, Achilles, Helena van Sparta en nog anderen nooit ver weg zijn.

Zo zie je maar dat de vissersopstand ook een verborgen werkelijkheid zou kunnen hebben.

OPGELET: de voorstellingen zijn Kinderen NIET Toegelaten